Ben je er klaar voor? Want laten we eerlijk zijn: de buitenkant klopt, maar de binnenkant is momenteel een bouwval. Ik ben dertig. Dat magische getal waarbij je geacht wordt 'het' eindelijk voor elkaar te hebben, de leeftijd waarop de maatschappij verwacht dat de fundamenten van je bestaan in beton zijn gegoten.
Ik heb een fijn huis, een stabiele relatie en een leven dat op papier een dikke voldoende scoort. En toch is daar dat spook. Het is geen dramatische klopgeest die met deuren smijt, maar een sluipend mistwolkje dat alles wat kleur heeft langzaam grijs verft. Depressiviteit is bij mij geen plotselinge knal; het is de monotone achtergrondruis die nooit stopt, een constante ondertiteling bij een film waar ik de hoofdrol in speel maar het script niet van begrijp.
Vanmorgen liep ik weer in Kernhem. Je weet wel, die plek waar de lanen symetrisch zijn en iedereen lijkt te stralen in hun perfecte outdoor-jacks terwijl ze de labrador uitlaten. De bomen stonden er onverschillig bij, zoals ze dat al honderden jaren doen, onbewogen door mijn aanwezigheid. Terwijl mijn voeten de bekende paden volgden, dacht ik alleen maar: maakt het eigenlijk uit waar je woont? Maakt de omgeving überhaupt iets uit als de architectuur van je eigen geest instort? Of je nu naar de Edese bossen staart of tegen een blinde muur in een wereldstad kijkt, het zwart reist gewoon met je mee in je handbagage. De omgeving verandert, de postcodes wisselen, maar de leegte is een trouwe metgezel die geen paspoort nodig heeft.
Mijn vriend weet niet dat ik dit schrijf. Hij zit in zijn eigen bubbel van productiviteit. Hij werkt hard, is altijd onderweg of bereikbaar voor zaken die belangrijker lijken dan de stilte in huis. En als hij er dan fysiek wel is, zit hij achter zijn telefoon. Het blauwe licht van zijn scherm vormt een digitale barrière tussen ons in, een ondoordringbare muur van notificaties en e-mails. Terwijl hij scrolt door de levens van anderen, verlies ik me in de zinloosheid van de dagelijkse beslommeringen. De vaatwasser inruimen, de wekelijkse boodschappen doen, de kussens op de bank rechtleggen... het is een eindeloze herhaling van handelingen die er voor mijn gevoel totaal niet toe doen, een choreografie van een leven dat stilstaat.
En dan is er die kinderwens. Of is het een maatschappelijke echo die ik probeer te negeren omdat ik bang ben voor het antwoord? Het spook fluistert venijnig op mijn schouder: "Zou een kind de leegte vullen, of geef je de duisternis alleen maar door aan een volgende generatie?" Ik voel de druk van die dertig jaar op mijn schouders drukken als een loden jas die met de dag zwaarder wordt. Ik zou dankbaar moeten zijn, ik heb immers "alles mee", maar ik zie alles zwart. Het schuldgevoel over die ondankbaarheid is misschien wel het zwaarste gewicht van allemaal. Waarom ben ik niet gelukkig met dit kant-en-klare geluk?
Dit is het nieuw waar iedereen het over heeft, of liever gezegd, het is het onderwerp waar iedereen angstvallig over zwijgt tijdens de verjaardagsborrels. De satire van mijn bestaan is dat ik deze diepe wanhoop nu deel met jou, de vreemde lezer, terwijl de man van wie ik het meeste hou aan de andere kant van de bank zit en geen idee heeft dat ik dit moment alleen maar probeer te overleven zonder uit elkaar te vallen. Is dit alles wat het leven te bieden heeft? Maakt het nog uit waar we naar kijken, als we van binnen blind zijn geworden voor het licht?
Daan