Ik loop door de dichte nevel die tussen de eeuwenoude bomen van Landgoed Kernhem hangt. De Edenaren weten het: hier dwalen de Witte Wieven. Soms lijken ze op flarden mist, maar vandaag voelen ze als de schimmen van de vrouw die ik de afgelopen maanden was — iemand die wel aanwezig was, maar langzaam vervaagde in de schaduw van een onbereikbare partner. Ik sta even stil bij de Bloedsteen. De legende zegt dat de steen leeft, en voor het eerst voelt dat niet als een griezelverhaal, maar als een spiegel.
Te lang was onze verbinding ook versteend. Mijn kinderwens is een vurig verlangen naar leven, naar de drukte van kleine voetjes die straks door dit bos rennen, maar de muur van zijn mobieltje hield die toekomst tegen. Zijn vergeetachtigheid was als die mist: ongrijpbaar en koud. Maar de confrontatie van gisteravond heeft de lucht geklaard. De naald is in de steen geprikt, en er stroomt eindelijk weer warmte door onze gesprekken.
Terwijl ik het pad langs het doolhof volg, dwalen mijn gedachten naar de lente. Ik zie het al voor me: wij tweeën, hier in het groen, maar dan met een kinderwagen. Niet als twee eenzame dwalers, maar als een gezin. Hij heeft beloofd zijn telefoon vaker in de la te laten, om de 'Witte Wieven' van de digitale wereld buiten te sluiten en weer echt naar mij — naar ons — te kijken.
In de zomer zullen we de vliegers boven de velden bij de Doolhoflaan zien dansen, en ik hoop dat we tegen die tijd zelf weer de touwtjes in handen hebben. De plannen voor de kinderkamer zijn niet langer verboden terrein; ze zijn de eerste bouwstenen van een nieuw huis.
Ik laat de Bloedsteen achter me en loop richting het pannenkoekenhuis, waar de geur van houtvuur me tegemoet komt. De mist trekt op. De legenden van Kernhem blijven, maar ons verhaal begint aan een nieuw hoofdstuk. Eentje waarin we niet langer vergeten wat echt belangrijk is, maar waarin we samen wachten op het moment dat de schaapjes in de wei staan en onze eigen droom eindelijk tastbaar wordt.
Daan