De architectuur van een bouwval

Gepubliceerd op 7 april 2026 om 11:58

Het begint altijd met de symmetrie van de beukenlanen op Kernhem. Terwijl de ochtendmist tussen de stammen blijft hangen, voel ik de koude onverschilligheid van de historie. Deze bomen hebben eeuwen aan menselijk drama voorbij zien trekken; mijn huidige existentiële crisis is voor hen niet meer dan een rimpeling in de eeuwigheid. Ik loop daar als dertiger, het type dat op papier alles op de rit heeft, maar innerlijk naar de uitgang zoekt. Is dit de befaamde dertigersdip, of is er meer aan de hand? Moet ik naar een dokter voor een chemisch steuntje in de rug, of hoort dit rauwe randje simpelweg bij het leven van een piekeraar die weigert genoegen te nemen met de oppervlakkige glans van een 'perfect' bestaan?

Soms vraag ik me af of deze periodes simpelweg nuttig zijn, een noodzakelijke snoeibeurt van de ziel om ruimte te maken voor een echtheid die ik nog niet ken. Misschien vormen ze de voedingsbodem voor iets nieuws, ook al voelt het nu alleen als afbraak. Want laten we eerlijk zijn: de buitenkant klopt, maar de binnenkant is momenteel een bouwval. De maatschappij verwacht dat op je dertigste de fundamenten van je bestaan in beton zijn gegoten, maar ik voel me eerder een breekbare constructie van glas die trilt bij elk zuchtje wind.

Thuis stamp ik de modder van mijn schoenen op de deurmat. Ik hoor het vertrouwde getik van zijn vingers op het scherm. Hij kijkt niet op. "Lekker gelopen?" vraagt hij, zijn stem een verre echo uit een digitale wereld waar ik geen toegang toe heb. Ik mompel iets instemmends, maar de woorden blijven steken. De dynamiek tussen ons is verschoven naar een choreografie van beleefde afwezigheid. Hij is de rots, stabiel en functioneel, maar een rots is ook ondoordringbaar. Terwijl hij scrolt door de levens van anderen, verlies ik me in de zinloosheid van de vaatwasser en de wekelijkse boodschappen; een eindeloze herhaling van handelingen die er totaal niet toe lijken te doen.

En dan is er die kinderwens. Het spook op mijn schouder fluistert venijnig: "Zou een kind de leegte vullen, of geef je de duisternis alleen maar door aan een volgende generatie?" Zou een baby de digitale muur tussen ons afbreken, of is de wens slechts een maatschappelijke echo die ik probeer te negeren omdat ik bang ben voor het antwoord? Ik kijk naar zijn profiel in het blauwe licht en de woorden blijven opnieuw steken. De satire van mijn bestaan is dat ik deze diepe wanhoop nu deel met de wereld, terwijl de man van wie ik hou aan de andere kant van de bank zit en geen idee heeft.

Ik sta op om de kussens op de bank recht te leggen. De avond valt over Ede, de bomen in Kernhem wiegen onverstoord verder in de wind, en de vraag blijft onbeantwoord in de kamer hangen. Is dit alles wat het leven te bieden heeft? Ik weet het niet. Ik weet alleen dat de vaatwasser klaar is, het scherm nog steeds licht geeft, en dat morgen de mist waarschijnlijk weer gewoon met me mee naar buiten loopt.

Daan