Mijn opa, die in de jaren zeventig op het perron van station Sirkeci in Istanbul stapte met niets meer dan een houten koffer en een droom, zei altijd tegen me: "Zoon, de eenheid van een familie is als een porseleinen kom; zolang hij heel is, houdt hij ons allemaal bij elkaar, maar zodra er een barst in komt, valt hij in duizend stukjes en kun je er nooit meer uit eten." Hij reisde dagenlang in een overvolle trein vanuit Turkije naar Nederland, zijn hele wereld verpakt in dat dunne multiplex.
Nu ik zelf verder heb geleerd en met andere ogen naar de wereld kijk, vertaal ik zijn eenvoudige plattelandswijsheid vaak naar de kwetsbaarheid van onze democratie. Voor mij is die democratie als een glazen vaas: prachtig en transparant, maar als ze eenmaal breekt, snijden de scherven in de handen van iedereen die haar probeert vast te houden.
Terwijl ik hier in Ede naar het nieuws kijk over de arrestatie van Ekrem İmamoğlu in Istanbul, voel ik hoe die scherven tot diep in onze eigen gemeenschap snijden. İmamoğlu is voor velen van ons het symbool van hoop. Hij is de man die in de geest van Atatürk probeert de Turkse republiek te moderniseren en te zuiveren van de verstikkende deken van corruptie. Maar in Turkije is 'corruptie' een rekbaar begrip geworden; het is het standaardlabel dat op elke tegenstander wordt geplakt om hen juridisch buitenspel te zetten. Het is een cynisch spel: wie de macht heeft, bepaalt wie de dief is.
Maar laten we niet alleen naar Ankara wijzen. Ook in Nederland zie ik barsten. Ik zie hoe partijen als D66 de morele meetlat hanteren. Zodra iemand anders denkt, worden ze weggezet als 'anti-democratisch' of 'onverlicht'. Dat is een gevaarlijk pad. Hoewel harde woorden bij een stevig debat horen, is de scheidslijn tussen passie en uitsluiting flinterdun. Als je de oppositie dehumaniseert als vijanden van de democratie, leg je de loper uit voor totalitarisme. Of dat nu gebeurt met een wetboek in de hand of met een moreel vingertje, het resultaat is hetzelfde: de dialoog sterft.
Deze politieke strijd splijt families dwars door midden, waar in Nederland ze zich ook bevinden. Het is een pijnlijk, algemeen beeld geworden: broers die niet meer bij elkaar op de koffie komen en vaders en zonen die zwijgen tijdens het suikerfeest. De polarisatie tussen de Erdoğan-aanhangers en de seculiere oppositie is zo diep dat de politiek van 'thuis' belangrijker is geworden dan de banden van het bloed. We importeren een strijd die huiskamers door het hele land onleefbaar maakt.
En dan zijn er de religieuze belangen. Ik zie parallellen tussen de streng-religieuze krachten in Turkije en de invloed van partijen zoals de SGP, die zaken als spot of kritiek op het geloof vaak als een directe aanval zien. We moeten waarschuwen: zodra religieuze dogma’s of puur eigenbelang de wet gaan dicteren, verliest de burger zijn vrijheid. De scheiding tussen kerk en staat is geen luxe, maar een noodzaak.
Atatürk begreep dit als geen ander. Hij wist dat een land alleen kan overleven als het de rede boven het dogma plaatst en de rechtsstaat boven de persoon. İmamoğlu probeert die fakkel brandend te houden, zelfs vanuit de cel. Laten wij in Nederland niet dezelfde fout maken door elkaar de maat te nemen vanuit een ivoren toren van morele superioriteit.
Democratie is niet het zwijgen opleggen van de ander, maar het verdragen van het ongemak dat die ander bestaat. Koester die kom, bescherm de vaas, want als ze eenmaal breken, blijven we overal met lege handen achter.
Mehmet