Het evangelie van de Wilde Peen

Gepubliceerd op 31 januari 2026 om 12:40

De vergaderzaal van de Edese raad trilde nog na van de laatste motie, maar Erik Wesselius en zijn trouwe secondant René Danen van MME (Mens en Milieu Ede) zaten alweer diep in de modder van hun geliefde moestuinvereniging 'De Wilde Peen'. Voor Erik was de moestuin de enige plek die nog niet was geïnfiltreerd door de "bestuurlijke tentakels" van het College.

"Heb je die blik van de wethouder gezien, René?" vroeg Erik terwijl hij met een loep een verdacht gaatje in een blad sla onderzocht. "Dat was geen vermoeidheid. Dat was een vooropgezet plan om de kleinschaligheid van Ede definitief te nekken. Ze willen bouwen, René. Overal. Ze willen de Randstad hierheen importeren."

René, die net een tweede zetel in het vooruitzicht had en inmiddels de kunst van het 'kijken als een serieuze politicus' volledig beheerste, knikte driftig. "Schandalig, Erik. Als we die mensen uit Utrecht en Amsterdam hier toelaten, is het gedaan met de rust. Voor je het weet hebben we hier een koffiebar met havermelk op elke hoek. Dat is de doodsteek voor de lokale identiteit."

De grote paradox

Erik rechtte zijn rug. "Precies. Wij bouwen alleen voor de eigen inwoners. Punt. Geen steen voor een buitenstaander. Maar..." Erik hief een vermanende vinger op, "wat betreft de nieuwe azc-locatie voor vijfhonderd mensen..."

"O, absoluut!" viel René hem bij, zijn ogen glanzend van idealisme. "Daar moeten we morgen direct een extra motie voor indienen. We moeten ruimhartig zijn. De wereld is van iedereen, Erik. We kunnen deze mensen niet in de kou laten staan. Onze menselijkheid is onze grootste troef."

Daar stonden ze, tussen de wortels en de uien: de twee ridders van Mens en Milieu. Het was een prachtig staaltje politieke hersengymnastiek.

  • De Randstad-vluchteling: Een gevaar voor de kleinschaligheid, een pion van het machtsblok, iemand die de Edese identiteit zou verwateren.
  • De asielzoeker: Een morele noodzaak, een verrijking van de gemeenschap, iemand voor wie altijd een plekje (en een woning) moest zijn.

De blinde vlek

"Maar Erik," vroeg René terwijl hij een emmer biologische compost versleepte, "als we geen nieuwe wijken bouwen omdat we Ede groen en klein willen houden voor de huidige inwoners... waar laten we die vijfhonderd nieuwe medeburgers dan?"

Erik keek hem aan alsof René zojuist had gevraagd of hij een asfalteermachine in de moestuin mocht parkeren. "Dat, mijn beste René, is een bestuurlijke fout van het College. Zij moeten dat oplossen zonder een grasspriet te raken en zonder de kleinschaligheid aan te tasten. Dat zij die puzzel niet kunnen leggen, bewijst hun incompetentie."

René noteerde het direct in zijn opschrijfboekje: 'Woningnood is een complot van de gevestigde macht om niet creatief te hoeven zijn.'

"Kijk," vervolgde Erik, terwijl hij een denkbeeldige lijn in het zand trok. "Het is heel simpel. We zijn tégen groei, maar vóór opvang. We zijn tégen beton, maar vóór huisvesting van kwetsbaren. De mensen uit de Randstad zijn niet kwetsbaar; die hebben geld en machtsblokken achter zich. Die weren we. De rest is welkom, zolang het maar kleinschalig gebeurt in een bosrijke omgeving zonder dat we bomen kappen."

De Knecht en de Meester

René keek bewonderend naar zijn leermeester. Erik was een meester in het zwart-wit denken; in zijn wereld bestond er geen grijs, alleen 'goed' (zijzelf en hun moestuin) en 'fout' (de rest van de wereld en iedereen met een plan).

"Ik zal de speech schrijven voor de volgende raadsvergadering," zei René enthousiast. "Ik noem het: 'De gesloten open deur: Waarom Ede vol is, maar het hart wijd open staat.'"

Erik glimlachte tevreden en overhandigde René de schoffel. "Goed zo, René. Je leert het wel. Onthoud: als de logica rammelt, is het een complot van de overkant. Wij houden Ede klein, groen en puur... ook als we daarvoor de wetten van de natuurkunde en de woningmarkt moeten herschrijven."

Terwijl de zon onderging boven Ede, droomden de twee mannen van een dorp dat nooit zou groeien, maar waar wel iedereen welkom was — zolang ze maar niet uit de Randstad kwamen.