Als je in Ede woont en je bent van Turkse komaf, dan is dat een beetje als een undercoveroperatie die constant dreigt te mislukken. Mijn hele bestaan hier is gebouwd op het fundament van de volstrekte onbeduidendheid. In Arnhem was ik nog "de kleinzoon van de man van de Enka", een titel die gepaard ging met sociale verplichtingen en ongevraagde updates over de suikerspiegel van tantes die ik in geen tien jaar had gezien.
In Ede ben ik gewoon "die stille buurman die altijd met tassen vol boeken sleept". En ik hou ervan.
Mijn anonimiteit is mijn kostbaarste bezit. Ik loop door de supermarkt als een taalkundige ninja. Terwijl mijn landgenoten bij de groenteafdeling luidruchtig de kwaliteit van de watermeloenen bekritiseren of de laatste politieke verschuivingen in Ankara doornemen, sta ik ernaast met een beker Ayran en een gezicht dat "ik bestudeer de vroege verlichting" uitstraalt. Ik heb mijn Turkse radar vakkundig gesaboteerd. Als iemand mij in het Turks groet, kijk ik glazig terug met een blik die ik heb geleerd tijdens mijn meest droge hoorcolleges: beleefd, intellectueel afwezig ogend en volkomen onbereikbaar.
Soms gaat het bijna mis. Laatst in de plaatselijke bouwmarkt hoorde ik een man achter me zuchten: "Dertig euro voor een hamer? Ze zijn gek geworden!" In het Turks, natuurlijk. Mijn hersenen, die decennia lang zijn getraind in de kunst van de sohbet (het gezellige praatje), stonden op springen. Ik wilde hem in vlekkeloos Nederlands corrigeren over de inflatiecijfers en de kwaliteit van gehard staal. Maar ik hield me in. Ik herinnerde me de geur van de rotte eieren in de Enka; die stank van sociale controle die vaak begint met een onschuldig praatje over een hamer en eindigt met een uitnodiging voor een besnijdenisfeest in een sporthal in Veenendaal.
Ik zweeg. Ik ben een academische kluizenaar. Mijn enige binding met de gemeenschap is de gedeelde ergernis over de vertragingen van de Intercity tussen Ede-Wageningen en Arnhem.
En dan die İskender. Ik probeerde het laatst zelf te maken in mijn steriele, anonieme keuken. Maar zonder de afkeurende blik van een oom die vindt dat er "te weinig boter" op zit, smaakt het toch anders. Het smaakt naar... vrijheid. En een klein beetje naar eenzaamheid, maar dan wel het soort eenzaamheid dat je zelf hebt uitgekozen en keurig hebt gealfabetiseerd in je boekenkast.
Mensen vragen me wel eens of ik me niet alleen voel, zo zonder die grote Turkse familie-echo om me heen. Mijn zus herinnerde me er gisteren aan de telefoon nog aan, toen we het over mijn werk hadden. "Ik las je laatste academische notities over de machtsstructuren in Ankara," zei ze scherp. "Je ontleedt ze tot achter de komma. Maar toen destijds die stembussen opengingen in Deventer, zat jij hier lafhartig achter je bureau. Zelfs bij de meest cruciale verkiezingen weigerde je te gaan."
Ik had mijn vaste argument direct paraat: "Ik ben politicoloog, geen partijmilitant. Mijn individuele stem verandert niks aan een regime aan de andere kant van Europa."
"Wat een academisch excuus voor iemand die zo slim is," zuchtte ze. "Je stemde niet omdat je bang bent. Je bent als de drempel dat als je zo'n evenementenhal binnenstapt, de gemeenschap je weer opeist en je direct weer aan de navelstreng hangt."
Ze heeft gedeeltelijk gelijk, maar ze begrijpt het niet. Mijn weigering is geen desinteresse; het is zelfbescherming. Als ze me aan de telefoon vraagt of ik me dan niet eenzaam voel in mijn eentje, denk ik aan de zinsbouw van een perfecte Nederlandse zin en kijk ik in gedachten naar de verre toren van de Eusebius die ik in Arnhem achter me liet.
Ik ben misschien een buitenlander in Turkije en een vreemde in Ede, maar ik ben tenminste de regisseur van mijn eigen isolement. En dat is de ultieme vorm van zelfontplooiing. Nu alleen nog hopen dat ze in Ankara ooit begrijpen dat deze "verloren zoon" in Ede allang geen gebruik meer maakt van het stemrecht dat ze hem ongevraagd over de grens hebben meegestuurd, terwijl hij hier in de schaduw van de Edese Oude Kerk zijn eigen stilte bewaakt.
Mehmet