Mijn familiegeschiedenis begon niet op een stoffige steppe in Anatolië, maar tussen de ronkende machines van de ENKA-fabriek op de Kleefse Waard. Als kind hoorde ik de verhalen over de spinnerij, een plek waar de geur van rotte eieren – de doordringende stank van zwavelwaterstof – in de muren en in de kleren trok. Terwijl mijn opa daar eind jaren zestig in die chemische walm de Arnhemse kunstzijde stond te spinnen, weefde hij onbewust aan het ingewikkelde tapijt van mijn identiteit. Hij dacht dat hij een tijdelijke brug bouwde; in werkelijkheid plantte hij een Turkse vlag in de Gelderse klei die nooit meer weg zou gaan.
Ik ben opgegroeid in Arnhem, maar mijn "Poolster" was geen minaret. Het was de Eusebiuskerk. Ik weet het, een Turkse man die een christelijke kerktoren als "thuis" beschouwt, dat klinkt als een sociologische paradox. Maar elke keer als ik die toren aan de horizon zie, maakt mijn hart een sprongetje. Die toren zegt: "Je bent er weer, jongen. Pak een frietje met, je bent veilig." Mijn wortels liggen niet in de aarde van Kayseri; ze zitten verstrengeld in de bovenleidingen van de Arnhemse trolleystrepen.
Inmiddels ben ik de veertig gepasseerd, een fase waarin de balans wordt opgemaakt. Terwijl veel generatiegenoten opgingen in grote, luidruchtige clans in wijken als het Broek of Presikhaaf, bleef mijn wereld bewust klein. Wij zijn met weinigen. Geen leger aan neven en nichten die mijn voordeur platlopen, en dat is mijn redding geweest. Het gaf me de ruimte om te ademen, om te studeren, om los te komen van de geur van zwavel die nog aan de vorige generatie kleefde.
Toen ik op de universiteit zat, begon de politiek van Erdogan in Turkije net zijn stempel te drukken. Terwijl verre kennissen in de theehuizen van Klarendal, in de schaduw van het grote AKU-kantoor aan de Velperweg, zijn opkomst met een haast religieuze passie bespraken, zat ik in de universiteitsbibliotheek te kauwen op de finesses van de Nederlandse taal. Daar ontdekte ik dat vrijheid niet zit in een vlag of een sterke leider, maar in het vermogen om de wereld te ontleden. Ik leerde dat taal een gereedschap is om je los te snijden van de massa.
Mijn verhuizing naar Ede was dan ook een bewuste, bijna academische exercitie in anonimiteit. Ede is de plek waar je naartoe gaat als je wilt ophouden een "vertegenwoordiger van je volk" te zijn. In Arnhem was ik onderdeel van een sociaal weefsel; in Ede ben ik een geest. Ik heb nul binding met de lokale Turkse gemeenschap. Ik mijd het lokale koffiehuis. Waarom? Omdat ik de verstikkende "warmte" van de gemeenschap heb ingeruild voor de glorieuze koelte van de individuele autonomie.
Het is namelijk verstikkend. Die constante sociale controle, dat ongevraagde advies van mensen die denken dat ze recht hebben op een mening over jouw leven – over met wie je thuiskomt, hoe je je dagen vult. Ik heb die groepsdruk vervangen door een passie voor de Nederlandse cultuur en de stilte van mijn eigen keuzes.
Laten we het over eten hebben: İskender Kebap. De meeste Turken aanbidden het. Dunne plakjes gegrild lamsvlees, verdronken in hete tomatensaus en overgoten met een absurditeit aan gesmolten schapenzuivel. Het is heerlijk, maar het is ook loodzwaar. Het is een gerecht dat eist dat je daarna urenlang niets meer doet. Soms is dat precies hoe de gemeenschap voelt: rijk en vertrouwd, maar het houdt je op je plek. Het is een culinaire gevangenis.
Mensen vragen me wel eens, zowel autochtone Nederlanders als de oudere generatie: "Wil je niet een keer terug?" Het is een fascinerende vraag voor iemand die gewoon op Arnhemse bodem ter wereld is gekomen. Waar moet ik naar terug? Naar een landkaart die ik alleen van zomervakanties ken?
Met het huidige politieke klimaat voelt die hypothetische "terugkeer" alsof ik moet gaan slapen in een kinderbedje dat de geschiedenis voor me heeft klaargezet, maar waar ik spiritueel en intellectueel allang uit ben gegroeid. Bovendien ben ik in Turkije een vreemde eend in de bijt. Als ik daar praat, horen ze mijn academische, Nederlandse zinsbouw door mijn accent heen schemeren. Ik ben voor hen geen verloren zoon, maar een buitenstaander – een Europees product met een Turks etiket.
Mijn wortels liggen niet in een landkaart. Ze liggen in de stilte van mijn studeerkamer, in de scherpte van een goedgekozen Nederlands woord, en in dat specifieke gevoel van door Arnhem fietsen onder de schaduw van de Eusebius. Ik ben een product van de ENKA-fabriek: een beetje synthetisch, oersterk, en trots "made in Arnhem".
Mehmet