De onzichtbare passagier

Gepubliceerd op 4 augustus 2026 om 00:04

Soms denk ik je te zien. Heel even maar, in een flits, een glimp waarin het lijkt of je er weer bent. Gisteren nog reed ik over de Parkweg en overviel het me ineens. Het was alsof er een bekende warmte in de auto hing, alsof ik even opzij kon kijken en jouw silhouet op de bijrijdersstoel zou zien zitten. Net als vroeger, samen onderweg, pratend over niets. Tegen beter weten in kijk ik dan naar rechts, puur om mezelf gerust te stellen. De stoel is leeg. Altijd. Maar in die allereerste seconde is er die felle flits van hoop, dat intense gevoel dat je vlak naast me zit, dat meteen weer dooft.

Wandelend door Ede zie ik soms hoe je had kunnen lijken als je er nu nog was geweest. Dan loopt er iemand over de Heide of in het centrum en denk ik: ja, net die ene vrouw had jij nu kunnen zijn. Met dezelfde grijzende haren, dezelfde blik. Op dat soort momenten dwaalt mijn geest af naar een onmogelijke realiteit. Soms denk ik dat je straks gewoon weer langskomt. Dat je de huiskamer binnenstapt, je jas ophangt en droogjes zegt: „Het is nu wel genoeg geweest, ik stop ermee.” Alsof dit alles slechts een slechte film was waar je nu de speler van uitzet.

Maar de realiteit is stil. Door je totale afwezigheid ben je in wezen meer aanwezig dan ooit. Je bent er niet, en juist dat schreeuwt in de leegte. Vooral de verjaardagen zijn al jaren anders. De slingers hangen er, de koffie staat klaar, maar de taart smaakt bitter zonder jouw lach aan tafel. De Edese bossen ritselen, het leven raast door, maar de wereld mist een fundamenteel stukje warmte. En elke keer als ik de auto instap, reist dat gemis onzichtbaar met me mee.