Opgaan, blinken en verzinken

Gepubliceerd op 21 juli 2026 om 08:54

Het begint altijd met een schuchtere klop op de deur van de fractiekamer. Daar staat-ie dan: de fractieassistent. Sjaaltje net iets te strak geknoopt, een notitieblokje in de klamme handjes en de blik op oneindig. Hij is de nederigheid zelve, schenkt koffie alsof het heilig water is en knikt zo enthousiast naar de fractievoorzitter dat je bang bent voor een whiplash. Hij is er om te ‘leren’.

Maar pas op. Dit is de incubatietijd van het politieke virus.

Er is geen vast tijdpad voor de promotie, maar na verloop van tijd en als hij braaf genoeg heeft geknikt en de juiste tassen heeft gedragen, dan mag hij officieel de titel fractievolger voeren. De metamorfose komt op gang. Het sjaaltje verdwijnt, de kin gaat omhoog. Hij begint zinnen met: "Als we kijken naar de participatiesamenleving in de periferie van de wijk..." Niemand weet wat het betekent, maar het klinkt gewichtig. De koffie zet hij niet meer zelf; hij wijst nu naar de lege kan met een blik die zegt dat zijn intellectuele capaciteiten elders harder nodig zijn.

Dan breekt het spannendste moment aan: de verkiezingen. Blijft hij in beeld of wordt hij genadeloos ingeruild voor een verser, nog gretiger hulpje? In de politieke vleeskeuring is loyaliteit een rekbaar begrip. Maar als de sterren goed staan en de voorkeursstemmen binnendruppelen, volgt de beëdiging tot raadslid.

De transformatie is nu bijna voltooid. De schuchtere jongen van weleer is vervangen door een zelfbenoemde profeet die de waarheid in pacht heeft, ook al kan hij de begroting van de sportclub nog niet lezen. In de raadszaal ontstaat een wonderlijke dierentuin van typetjes. Je hebt de Zwijgers, die zo diep in hun dossiers kijken dat je vermoedt dat ze slapen met hun ogen open. De Lezers, die elke komma in een bestemmingsplan behandelen als een directe aanval op de democratie. En natuurlijk de Praters, de verbale hogedrukspuiten die pas stoppen als de voorzitter dreigt met een schorsing.

Maar het echte gevaar komt wanneer de Wethouder in hem ontwaakt. Dat is het moment dat de onwennigheid definitief plaatsmaakt voor een onmetelijk ego. De wethouder loopt niet over de gang; hij schrijdt. Hij is geen bestuurder meer, hij is een visioen op pootjes. Vragen vanuit de raad beantwoordt hij met de vermoeide glimlach van een ouder die een lastige kleuter uitlegt waarom hij geen ijsje mag.

Het is een poule van narcisten geworden, een parade van mensen die zichzelf in de spiegel zien en denken: Kijk, daar staat de redder van de stad. Van hulpje naar halfgod. Ze kwamen binnen als de buurjongen die de hond uitliet, ze eindigen als de man die weigert opzij te gaan voor de realiteit. Totdat de volgende verkiezingen komen en de hele cyclus van vallen, opstaan en arrogant worden weer van voren af aan begint.